X
 nieuwsbrief juni 13 NJi rapport witje01
X
Stand van zaken anti-pestaanpak

In deze nieuwsbrief schetsen we kort de stand van zaken ten aanzien van de anti-pestaanpak in het onderwijs. Staatssecretaris Sander Dekker streeft naar wetgeving per 1 augustus 2015. De beoogde wet zou leiden  tot drie nieuwe verplichtingen voor scholen: 1) een erkend anti-pestprogramma gebruiken, 2) een anti-pestcoördinator instellen die fungeert als aanspreekpunt voor zowel leerlingen als ouders binnen de school wanneer het om een pestsituatie gaat, en 3) de sociale veiligheid monitoren (de bestaande landelijke monitoring kan daarvoor gebruikt worden, maar het staat scholen ook vrij een eigen instrument te kiezen, mits deze aan de in de wet te stellen eisen voldoet).

 



 

Eén van de maatregelen in die wet is dus de verplichting voor scholen om een bewezen effectief anti-pestprogramma te gebruiken. De staatssecretaris heeft onlangs een lijst bekend gemaakt met theoretisch en empirisch goed onderbouwde programma’s tegen pesten. De lijst is opgesteld door het Nederlands Jeugd Instituut (NJi) in samenwerking met diverse deskundigen. Er zijn 61 programma’s onderzocht en 13 hebben de toets der kritiek kunnen doorstaan. De komende jaren worden deze programma’s verder getest in de praktijk. De Vreedzame School is één van die goedgekeurde programma’s. Voor hen die precies willen weten hoe dit proces verloopt, zie onderaan deze pagina.

Lees ook: artikel Volkskrant antipestprogramma's, 28 mei 2014

 

Het is overigens nog de vraag of die verplichting er uiteindelijk ook komt. Het wetsvoorstel wordt na de zomer naar de Tweede Kamer gestuurd. Er zijn veel partijen die niets zien in een dergelijke verplichting. Zo heeft de PO-Raad (samen met de VO-raad) aangegeven dat het aanpakken van pesten niet door een wettelijke verplichting kan worden opgelost. Wat daaraan wel kan bijdragen, aldus de raad, is het beschikbaar stellen van goede aanpakken die scholen in hun veiligheidsbeleid kunnen integreren en verdere ondersteuning voor schoolleiders en docenten. Maar de overheid moet geen lesmethodes voorschrijven; dat past niet bij de vrijheid van onderwijs. Ook veel schoolbesturen hebben laten weten zich niet te kunnen vinden in zo’n verplichting. Er zijn genoeg scholen die geen compleet anti-pestprogramma nodig hebben, omdat zij al instrumenten en aanpakken gebruiken die in de context van de school effectief gebleken zijn en onderdeel uitmaken van de integrale schoolbrede aanpak ten aanzien van sociale veiligheid.

Een ander genoemd bezwaar is dat de focus komt te liggen op ‘smalle’ programma’s die louter gericht zijn op het tegengaan van pesten. Het lijkt zinvoller om de aandacht voor het tegengaan van pesten te plaatsen in een bredere context: scholen dienen ook een goed aanbod te hebben op het terrein van sociale competentie en burgerschapsvorming. Wat zou logischer zijn dan te streven naar een ‘breed’ programma dat aan al die domeinen tegemoet komt, én zorgt voor een goed preventief pedagogisch klimaat, waarin pesten niet zo snel zal plaatsvinden? Zo voorkom je symptoombestrijding, én je realiseert samenhang in de eisen die aan scholen gesteld worden.

Tot slot: het geloof in ‘evidence-based’ programma’s klinkt steviger dan het is. Onderzoek naar programma’s op dit terrein laat veel tegenstrijdige resultaten zien. De ene keer (in de ene context) is er een effect, de andere keer (in een andere context) niet. Het is risicovol om programma’s louter op basis van dat criterium te selecteren dan wel uit te sluiten. Uiteindelijk zijn het de mensen in de scholen die programma’s al dan niet laten werken. Wordt vervolgd.

Lees verder: Meer informatie over de selectie van anti-pestprogramma’s